Basiskleuren

Vooraleer we alle mutaties en combinaties op u loslaten bij onze zebravink willen we eerst iets verduidelijken. Als we de reacties van vele kwekers en keurders bundelen dan begint de kleurherkenning bij de zebravink zeer moeilijk te worden, deze reacties doen ons denken aan het glazen doolhof op de kermis. En eens je het daarin benauwd gekregen hebt ga je er nooit meer in. Deze instelling moeten we vermijden bij de zebravink. We moeten trachten om alles zo duidelijk mogelijk te maken en besef altijd: voor alles is er een uitleg. Deze pagina wil een gids zijn bij de tocht door mutaties en combinaties. op de pagina’s vererving en vederstructuur heb je de basis gelegd om verder te gaan. Bij de zebravinken spreken we van kleurslagen. Een kleurslag kan dus een basiskleur zijn of een combinatie van een basiskleur met één of meerdere mutaties. Hier zijn reeds de eerste begrippen gevallen die een verdere uitleg nodig hebben. En het moeilijkst bij alles wat je aanleert zijn de basisbegrippen. Men weet niet waarop men zich moet baseren, men ziet de bomen niet meer door het bos. Dit bos gaan we verdelen in partijen. We kunnen al onmiddellijk beginnen met het bos te splitsen in twee delen want iedere kleurslag is ofwel in te delen in een grijze reeks of een bruine reeks. Iedere kleur, behalve wit, heeft als extensie in de naam grijs of bruin, we spreken dus van witborst bruin of witborst grijs. Internationaal is afgesproken om deze extensie op het laatst te zetten. het verschil tussen grijs en bruin is de vorming der eumelanine en dat heb je bij vederstructuur gelezen.

Als je het verschil tussen grijs en bruin begrijpt ben je al heel ver en is de basis gelegd. We kunnen nu verder gaan door te zeggen dat de kleur van de bevedering van onze zebravink gevormd wordt door kleurvelden en tekeningvelden. Kleurvelden zijn rugdek, vleugeldek, buik, wangen, flanken, enz. Tekeningvelden zijn oogstreep, snavelstreep, zebratekening, staartblokken, enz. Alle bestaande mutaties, behalve kuif en geelsnavel, hebben nu invloed op deze genoemde veervelden. De eerste twee mutaties die gaan vermelden hebben alleen invloed op kleurvelden, de tekeningvelden blijven onaangetast. Het zijn de bleekrug en de masker mutaties. Vermits we reeds weten dat we steeds een grijze en een bruine versie hebben verkrijgen we bleekrug grijs, bleekrug bruin, masker grijs en masker bruin. Bij deze vier kleurslagen, samen met de kleurslagen grijs en bruin, blijft het aantal pigmentkorrels onaangeroerd. Het zijn dus kwalitatieve reducties en geen kwantitatieve. De vererving van deze zes kleuren ten opzichte van mekaar is geslachtgebonden en om al deze reden noemen we ze de basiskleuren of klassieke kleuren.



Grijs

Bij onze grijzen, die we vragen voor de show, behouden we de eigenschap van maximaal eumenalinebezit. We blijven dus zeer donker gekleurde vogels vragen. De hoeveelheid phaeomelanine gaan we echter minimaal eisen, dit is het grote verschil met de wildvorm. We zeggen wel minimaal want zonder phaeomelanine zal onmogelijk zijn. Vooral bij de poppen gaan we dit vaststellen, daar deze van nature over een grotere hoeveelheid phaeomelanine beschikken dan de mannetjes.

We hebben gezegd dat de phaeomelanine recessief vererft, dit betekent dat als we goede TT-vogels aan elkaar paren, we een paring doen van minimaal phaeomelanine aan minimaal phaeomelanine. Dit geeft logischerwijs 100 % minimaal phaeomelanine of allemaal vogels die op gebied van phaeomelanine TT-vogels zijn. Maar meestal heb je als beginnend liefhebber niet de luxe van zulke TT-vogels te bezitten. Dan moet je dus vogels paren die elk een andere hoeveelheid phaeomelanine laten zien. De kleur van de jongen zal gemiddeld gezien tussen deze van de ouders liggen. Het kan best zijn dat je slechts één vogel bezit met een minimaal phaeobezit en dat je die moet paren aan een partner met een maximaal phaeobezit. Het resultaat hiervan gaat zijn: 100 % maximaal split minimaal phaeobezit. Paring van zo een jong aan de goede grijze ouder geeft reeds 50 % jongen met minimaal phaeobezit. Via selectie en de kennis van deze verervingsuitslagen bouw je dan je stam TT-grijzen op.

Kweekadvies

We stellen onze koppels zo samen om op lange termijn en dus blijvend goede grijzen te kweken en paren daarom uitsluitend grijs aan grijs. Beide vogels liefst in het bezit van zo weinig mogelijk bruin of phaeomelanine. Geen enkele andere kleurslag komt bij ons in aanmerking om in te kweken in grijs, alhoewel de verleiding er ook wel eens kan zijn om bleekrug of masker in te kweken en zodoende al onmiddellijk bij de mannetjes een nagenoeg spierwitte buik te krijgen. Dit is echter werken op korte-termijn-resultaten en kan dus nooit de basis zijn van een goede stam grijzen. Naast een minimaal bruinbezit is voorwaarde nummer twee de combinatie van een excellent formaat en model, aangevuld met een mooie ronde kop en korte kegelvormige snavel.


Bruin

De bruinmutatie is als één der eerste mutaties opgetreden bij de zebravinken. In Australië zou deze mutatie reeds zeer lang in de natuur aanwezig zijn en waarschijnlijk stammen alle bruinen af vanuit wild gevangen exemplaren. Bij de bruinen hebben we de tweede eigenschap van de wildvorm.(=maximaal bruinbezit) willen optimaliseren. De aanwezige hoeveelheid phaeomelanine zal hier maximaal zijn. Dit zien we duidelijk aan de zeer warme kleur van de vogel, vooral de kleur van buik- en aarsbevedering zal optimaal zijn. Het gemuteerde gen bij de bruinmutatie is het gen dat verantwoordelijk is voor de aanmaak van de zwarte kleurstof in de staafjes. Bij de bruine oxideert deze kleurstof niet tot zwart maar tot donkerbruin. De uiteindelijke kleur van een bruine wordt gevormd door de donkerbruine eumelanine en de roodbruine phaeomelanine. In het rugdek en op nog andere plaatsen zal de eumelanine eerder zandkleurig zijn.

Kweekadvies

We leggen ons niet echt toe op de kweek van TT-bruinen, de bruinen die wij kweken zijn er alleen om andere kleuren re verbeteren op gebied van keur, maar vooral op gebied van formaat-model en kopvorm. Als je toch mooie TT-bruinen wil kweken, paar dan uitsluitend bruin aan bruin. Wat we bij de grijze geschreven hebben over phaeobezit is ook hier van toepassing, met dit verschil dat we hier gaan selecteren naar een maximaal phaeobezit. Bij de bruine proberen we steeds maximaal phaeo aan maximaal phaeo te paren en ook hier gelden de wetten. Je kan uit warmbruine vogels ook koude kweken (maximaal phaeobezit), dit kan als beide ouders split zijn voor dat maximaal phaeobezit.

Vroeger probeerde men ook om de donkerbruine eumelanine maximaal te kweken maar daar is men van terug gekomen omdat de kleur dan te hard wordt. De mooiste bruinen hebben een licht gereduceerde hoeveelheid eumelanine. Heel uitzonderlijk is het toch nodig om bruin te paren aan grijs, zo kan je bijvoorbeeld een bepaalde goede eigenschap van je grijzen in je bruinen inkweken. De vererving is dan geslachtsgebonden en recessief autosomaal. Grijze man tegen bruine pop geeft: grijze mannen split voor bruin en grijze poppen. Bruine man tegen grijze pop geeft eveneens grijze mannen split voor bruin maar ook onmiddellijk bruine poppen. Bij voornoemde paringen zouden we ook wetensschap kunnen inlassen dat de eumelanine geslachtsgebonden vererft. Als we een bruine man paren aan een grijze pop, paren we eigenlijk een mannelijke zebravink waarbij de eumelanine donkerbruin is aan een vrouwelijk dier waarbij de eumelanine zwart is. De info der eumelanine ligt op het X-chromosoom zodat we als dochters voor de volle 100 % vogels gaan kweken met als genetische gegevens de aanleg om donkerbruine eumelanine te vormen. Dus alle poppen zijn bruin. De jonge mannetjes krijgen van de moeder de aanleg voor zwarte eumelanine op haar X-chromosoom, van de vader krijgen ze op het andere X-chromosoom de erfelijke aanleg voor donkerbruine eumelanine. Resultaat zal zijn grijze zonen split voor bruin.


Bleekrug grijs

De eerste bleekrug werd in 1954 in Zwitserland geboren en de uitingsvorm was toen vrij donker. Alleen de witte buik gaf aan dat het geen grijzen waren, maar dat kleine kleurverschil maakte deze nieuwe kleurslag nu niet bepaald populair. De kentering kwam er toen onze Belg Paul Chabot de MM-reeks vaststelde tussen bleekrug en masker. Door het inkweken van masker grijs en vooral deze van het continentale type met zwarte kop en lichte staartblokken verkregen we een vrij lichte bleekrug grijze man die nu plots wel aansloeg bij de kwekers. Het enige nadeel hierbij is dat ook de kleur van wangen en flanken zal opbleken bij de mannen. Doordat de poppen maar over één X-chromosoom beschikken kunnen ze dus niet split zijn voor de maskerfactor. Het inkweken van de maskerfactor heeft geen zichtbare invloed op de kleur van de poppen. De bleekrugmutatie is een kwalitatieve verliesmutatie, dit betekent dat het aantal aanwezige pigmentkorrels hetzelfde blijft, maar de hoeveelheid kleurstof in die pigmentkorrels sterk zal verminderen. De mutatie heeft zowel invloed op de eumelanine als op de phaeomelanine. Deze twee pigmentstoffen vererven los van elkaar, zo kan de bleekrug grijzen kweken met donkere kleur en lichte wangen en andersom ook. Theoretisch zijn de zakjes met eumelanine voor slechts de helft gevuld met kleurstof, de phaeomelanine wordt voor 30 % gereduceerd.

Kweekadvies

Daar de grote kunst bij de kweek van bleekrug grijs er in bestaat een licht rugdek te combineren met donkere wangen en flanken, paar je best een donkere bleekrug grijze man aan een masker pop van het continentale type. Dit geeft als resultaat bleekrug grijzen mannen split voor masker en bleekrug grijze poppen. De omgekeerde paring van masker man aan bleekrug grijze pop zal even goede bleekrug grijze mannetjes geven split voor masker grijs en daarnaast kweek je alleen masker grijze poppen.


Bleekrug bruin

Gemakshalve zouden we kunnen zeggen dat je best datgene wat geschreven is over de bleekrug grijs kan toepassen op de bleekrug bruin en eigenlijk is dat ook zo. Daarom richten we ons bij de bleekrug bruine vooral op zijn ontstaan via een crossing-over die gelukt is via een gerichte en selectieve kweekplanning. De persoon die deze crossing-over lukte is onze landgenoot Jef De Raedt. Welke problemen moest Jef overwinnen? We weten dat zowel de bruinfactor als de bleekrugfactor op het geslachtschromosoom liggen, maar dan niet op hetzelfde chromosoom. Om de combinatie bleekrug bruin te verwezenlijken moeten we de twee factoren op hetzelfde chromosoom krijgen.

Hoe lukte dit Jef De Raedt? Om de beginnen paarde hij verschillende koppels bruin aan bleekrug grijs en omgekeerd. Alle mannetjes hieruit waren phenotypisch grijs, maar genotypisch waren ze gevormd uit bruin en bleekrug grijs en deze factoren waren aanwezig op beide chromosomen van het geslachtschromosoom. Alle paringen met deze mannetjes gaven uitsluitend grijze, bruine en bleekrug jongen. Toen Jef bijna alle hoop opgegeven had, kieperde hij alle vogels in de volière en toevallig zaten daar ook enkele masker bruin popjes tussen en op een avond hing er plots een jong aan de volièredraad dat afweek van de andere vogels, bij controle bleek het inderdaad om een bleekrug bruin jong te gaan. Nog mooier was dat het jong ontstaan was uit de paring van een grijze man split voor bruin en bleekrug grijs aan een masker bruin popje. Bij de vorming van de gameten van het mannetje zijn de twee X-chromosomen van het geslachtschromosoom middendoor gebroken en verkeerd aan elkaar gegroeid, hierdoor kwamen bruinfactor en bleekrugfactor op hetzelfde chromosoom te liggen en waren ze voor eeuwig aan elkaar gekoppeld. Door de paring van een masker bruine pop verkreeg Jef bleekrug bruine mannetjes. Deze eerste individuen zijn de stamvaders van alle bleekrug bruine zebravinken ter wereld. Maar er zijn nog andere aspecten bekend geraakt ivm de bleekrug bruin, Huub Janssen vat dit samen in zijn kweekverslag hieronder.

Kweekverslag Huub Janssen (Nederweert)

Er werd mij onlangs gevraagd eens op papier te zetten hoe ik denk dat de bleekrug bruine het beste gekweekt kan worden. Al heb ik er momenteel niet erg veel meer zitten denk ik toch voldoende ervaring te hebben met deze kleurslag om een aantal nuttige tips op papier te krijgen. Allereerst zal ik een stukje geschiedenis vertellen, hoe deze vogels bij mij op het hok zijn gekomen. Op de COM wedstrijd van 1993 te Breda zag ik een stam bleekrug bruin van Wout Voogt zitten, en op dat moment werd mijn interesse gewekt voor deze mutatiecombinatie. Niet veel later trof ik bij Patrick Hens uit Lommel in een volière een bleekrug bruine man aan waar ik wel wat in zag, dus ik nam hem mee. Dit was voor mij de start met deze kleurslag . Deze man werd gekoppeld aan een mooie warme bruine pop van Wout Voogt, een pop met tevens een heel mooi type, kort gedrongen en een mooie volle ronde kop. Hieruit kweekte ik dus bruine mannen split bleekrug en bleekrug bruine poppen, maar liefst 21 stuks, ik had dus meteen keuze genoeg. Een selectie uit deze jongen werd eind van dat jaar aangevuld met een drietal koppels van Wout Voogt, en vormden de kweekkoppels voor 1994. Later kwamen daar ook nog een paar bleekrug bruine poppen bij van Bart Houben uit zijn bleekrug grijs lijn, ondanks dat ze uit bleekrug grijs kwamen waren ze wel behoorlijk warm van kleur, en het waren ook nog eens toppers qua formaat en model.

Inmiddels was ook plaatsgenoot Wim Strijbos enthousiast geraakt over deze kleurslag en ook hij startte ermee . Hij gebruikte een aantal bleekrug bruinen en bruinen split bleekrug van mij, samen met normaal bruinen van zichzelf en een bleekrug bruine pop van Cees Haneveld. Wij waren beide erg gecharmeerd van typevogels met mooie koppen erop, we hanteerden beide dezelfde selectienorm op dit vlak, vandaar dat het type er altijd goed in bleef. Qua kleur zaten we ook meteen al vanaf het begin heel goed, net als de tekening. Ik schrijf dit voornamelijk toe aan het startmateriaal, die mooie warm bruine pop en die man uit de handel bij Patrick Hens . Met deze man was ook nog iets ‘’bijzonders’’ aan de hand, maar daar kwamen we pas later achter. Wat bleek namelijk, hij was ook nog split voor de roodoog factor, aangezien later twee kleindochters van hem roodoog bleekrug bruin bleken te zijn. Bij zijn dochters het eerste jaar had ik er geen enkele onderkend, maar achteraf hebben er daar ook al bij gezeten, maar ik vond ze toen te licht van kleur en verkocht er aan iemand die ze wilde gebruiken voor de masker bruin kweek, niet wetende wat voor waarde ze hadden voor onze bleekrug bruin kweek. Wim Strijbos en ik speelde met deze bleekrug bruinen vanaf het begin al heel erg goed, wat we niet alleen te danken hadden een het mooie type maar ook de mooie tekening EN ZEKER ook de kleur, ze lieten de gewenste roze gloed voortreffelijk zien.

Hier mijn visie op de bleekrug bruin kweek

Allereerst iets wat niet direct te maken heeft met deze kleurslag maar ik wil het toch graag nog maar eens vermelden, gebruik zoveel mogelijk alleen maar vogels die hoog scoren fysiek gezien, dus mooie volle vogels met prima koppen. Geen vette soepkippen maar mooie vitale vogels met een goed formaat en model. Dit is voor mij in elk geval heilig bij het opstarten van welke kleur dan ook. Bruikbare vogels voor de bleekrug bruin kweek zijn uiteraard de bleekrug bruine zelf, maar wel kijken dat ze voldoende warmte bezitten. Deze kennen we in twee variaties, de donkeroog en de roodoog, welke beide nodig zijn om een goede stam op te bouwen. Je kunt de roodoog factor bij de bleekrug bruine vergelijken met de roodoog factor bij de roodoog masker bruine en grijze, het is echter nog niet 100% zeker dat het precies dezelfde is. De roodoog factor zorgt meestal voor wat extra warmte, en dus voor de gewenste roze gloed. Naast deze twee types bleekrug bruinen kan zo nu en dan gerust eens een mooie warme normaal bruine in gekweekt worden. Wat ik afraad te gebruiken zijn masker bruinen, dit vanwege de blekere wangen en flanken, en vaak ook de zebratekening. De kop nek afscheiding zal toch nooit zo sprekend kunnen zijn als bij de bleekrug grijze, vandaar dat ikzelf daar wat minder aandacht aan besteed. Om het dek iets lichter te krijgen prefereer ik een te lichte (maar wel warme) roodoog bleekrug bruine te gebruiken t.o.v. een masker bruine. Mocht je toch een masker in willen kweken, dan alleen maar en hele goede qua kleur, en alleen in bleekruggen welke heel donkere wangen en flanken hebben en voor de rest ook voldoende warmte.

Met deze drie ‘ingrediënten’ (bleekrug bruin in roodoog en donkeroog, en normaal bruin) is het op de juiste wijze mixen geblazen. Te allen tijde blijven letten op de warmte in de te gebruiken vogels. Zoveel mogelijk op de juiste wijze combineren, nooit te vaak doorgaan met donkeroog tegen donkeroog, maar ook niet te lang met roodoog tegen roodoog. Wordt een vogel iets wat te donker van kleur dan een roodoog erop zetten, wordt die veel te donker dan gebruik je een lichtere roodoog. Worden ze wat te licht, dan terug vallen op een donkeroog of zo nu en dan op een mooie warme normaal bruine ( liefst een pop). Bij normaal bruinen zien we ook een variatie van licht tot donker . Indien je bleekrug bruinen veel te licht worden en je wilt een bruine in kweken, dan moet je geen lichte bruine gebruiken maar een wat donkerdere. Dus altijd kijken wat voor vogels tegen elkaar komen, en uit wat voor lijn ze komen qua kleurdiepte. En nogmaals gebruik nooit koude vogels voor de bleekrug bruin kweek, blijf letten op de warmte, anders verdwijnt de roze gloed.

De afgebeelde man en pop zijn beide roodoog bleekrug bruin, nog niet helemaal het type wat we vroeger hadden, maar wel prima van kleur en goed van tekening. Vooral bij de pop is goed te zien hoe warm van kleur ze zijn, verder hebben ze beide een prima kleurdiepte wat de tekening betreft . De kop nek scheiding kan beter, maar zoals gezegd, deze zal in de bruinserie nooit zo extreem zijn als in de grijsserie.

 


Masker grijs

 

De maskermutatie is en blijft één der meest populaire kleurslagen bij de zebravink. Er wordt verondersteld dat de mutatie ontstaan is in 1953. Er is jaren lang gekweekt met vrijwel witte vogels met een lichte wang- klanktekening. De kentering is er gekomen met de roodoogfactor, door deze factor was de kleur van de tekening plots stukken beter. De maskerfactor zorgt ervoor dat er in her rug- en vleugeldek praktisch geen eumelanine maar aanwezig is in de toppen van de baarden en in de haakjes. Het rugdek wordt gezien als roomkleurig met een iets grijze waas, dit laatste omdat de reductie van phaeomelanine vererft los van de eumelanine en zou door selectie kunnen teug gebracht worden tot 30 % waardoor de kleur van wangen en flanken op dit ogenblik vrij donker is. Op de foto zie je een koppeltje uit 1986, je ziet dat de kwaliteit de laatste jaren vrij stabiel is gebleven, alhoewel de toppers van nu beter zijn.

Kweekadvies

Masker grijze zebravinken worden vrij intensief van bevedering gekweekt om de donkere tekening goed te laten uitkomen. Hierdoor is het merendeel van deze vogels aan de kleineren kant. Paring van de masker grijs aan masker grijs is daarom niet aan te raden, tenzij u over een brede basis beschikt en verscheidene paringen kan uitvoeren. Veel kwekers experimenteren dan ook via zwartoog masker grijs. Deze vogels zijn lichter van kleur en tekening, maar meestal bezitten ze een beter formaat, daarom paren veel kwekers een roodoog mannetje aan een zwartoog popje, alle jonge mannetjes zijn dan zwartoog masker grijs split roodoog en de popjes roodoog masker grijs.

 


Masker bruin

Bij deze kleurslag heeft men ook te maken met de gekoppelde factoren, net zoals bij de bleekrug bruin. Hier heeft men echter geen paringen moeten opzetten om een crossing-over te verkrijgen. De natuur heeft dit voor ons gedaan, want de masker bruin bestaat reeds zeer lang. De laatste twintig jaren is de kwaliteit echter met reuzensprongen vooruit gegaan, zodat we momenteel met echte topexemplaren zitten. De vogels op de foto’s zijn reeds voorbij gestreefd. Bij de masker bruin is de reductie van eumelanine zo goed als volledig zodat de kleur van het rugdek uitsluitend gevormd wordt door de phaeomelanine die voor ongeveer 50 % gereduceerd is. Zodoende zullen masker bruinen steeds warmer van rugdek zijn dan masker grijzen.

Kweekadvies

Ook bij de maskers zijn de roodogen de mooiste vogels. We kunnen dus verwijzen naar de masker grijs voor wat betreft de vererving der oogkleuren. Bij deze kleur zouden we iets meer in detail gaan voor wat betreft de gereduceerde pigmenten. Als gevolg daarvan is de kleur der papillen in de snavel der jongen vrijwel kleurloos, zodat de ouders de jongen in de nestjes niet vinden om te voederen. Door het steeds donkerder kweken der tekening en de zodoende toenemende hoeveelheid eumelanine is de kleur der papillen ook donkerder geworden zodat dit probleem zich stilaan aan het oplossen is.Ook hier paart men best een schimmel pop met een lichtere kleur aan een donker roodoog mannetje.


Besluit

we zijn hier aan het einde gekomen van de grondkleuren of basiskleuren bij de zebravink. Eigenlijk zouden we kunnen stellen dat er maar twee grondkleuren zijn, namelijk grijs en bruin. Iedere kleurslag heeft in zijn benaming als einde grijs of bruin. Omdat de bleekrug- en maskerfactor eigenlijk niets veranderd aan de tekening van de zebravink, maar alleen een kwalitatieve invloed hebben op de pigmenten beschouwen we ze als basiskleuren, in analoog met de kleurkanaries en vele inlandse vogels en parkietsoorten. Bij deze zes kleuren is de tekening onveranderd gebleven plus het aantal aanwezige pigmentkorrels

Bron : © The World Of Zebrafinches – Jos & Sebastien Libens