Skip to main content

Grijs tot op het bot

Na 45 jaar grijze zebravinken gekweekt te hebben dacht ik mijn ervaringen over deze kleurslag eens op papier te zetten maar dit is een hoop werk en ja, waarom eigenlijk…als er al een artikel bestaat waarin ik mij helemaal kan vinden. Hierin staan vele wetenswaardigheden die ook toepasbaar zijn op de rest van de zebravinken. Het artikel is geschreven door Hans van de Weerdhof.

Bart Houben


Grijs tot op het bot

door Hans van de Weerdhof

Deel 1
– Introductie
– Wat laat nou een vogel bij de eerste schifting afvallen tijdens een keuring?
– Wat maakt een vogel nou een gewone vogel en wat maakt het een topper?
– Wat zijn nou de vogels die meedoen om de prijzen?

Deel 2 – Stamopbouw
– Hoe beginnen?
– Wat zijn nu geschikte vogels voor de grijskweek?
– Zijn er ook onbruikbare kweekvogels?
– Minder ernstige fouten
– Welke paringen zet je nu op?

Deel 3 – Selectie
– Algemeen
– Selectie door de keurmeester
– Zelf selecteren
– Selectie aan de hand van een praktijkvoorbeeld
– Het TT seizoen
– Andere zaken die je nog kunt overwegen


Deel 1 – Introductie

In deze serie zullen alle aspecten van dé klassieke kleur bij uitstek uit de doeken worden gedaan, de standaard, de kweek, de selectiecriteria, et cetera maar ook hoe een keurmeester omgaat met een dergelijke kleurslag.

Ik ben een Nederlandse keurmeester tropische vogels en ben gevraagd om vanuit het oogpunt van de keurmeester een stukje te schrijven over het hoe en waarom van de klassieke grijze zebravink. Waar we zoal op letten, waar we minder op letten en wat wel in de standaard staat maar waar eigenlijk in het geheel niet naar gekeken wordt. Kortom, hoe ze precies beoordeeld worden, over zin en onzin in de standaard.

Ik zei al: Ik ben Nederlander dat betekent wel dat ik de Nederlandse praktijk zal belichten, ik ken niet alle ins en outs van het Belgische keursysteem, op zich zit er in de praktische uitvoering en in de standaard niet echt een wezenlijk verschil tussen Nederland en België, wellicht wel in het theoretische dan wel het technische deel, maar dat zijn hoogstens nuance verschillen.

Je hebt verschillende vogelshows met verschillende kwaliteitsniveaus maar aangezien we hier te maken hebben met een lezerspubliek van een speciaal club ga ik hoofdzakelijk uit van de keuring op shows met een groter aantal vogels en dat in verschillende kwaliteiten.

Stel je doet mee aan een grotere tentoonstelling waar een redelijk aantal zebravinken zitten, laten we zeggen plusminus 25 mannen en een 25 poppen. En er zitten twee keurmeesters samen de zebravinken te keuren… Dan laten ze alle mannen in één keer op de keurtafel zetten, dan zijn er twee manieren waarop ze naar de vogels kijken, ze kunnen dan om meer overzicht te krijgen eerst de vogels met grove fouten ‘wegkeuren’, d.w.z. vogels met bevederingfouten, zware model, kleur of tekeningfouten en dan wanneer er ruimte gemaakt is de betere vogels goed vergelijken.


*Maar wat laat nou een vogel bij de eerste schifting afvallen tijdens een keuring?

Dat is de eerste belangrijke vraag die we ons moeten stellen want wat je niet wilt is dat juist jouw vogels al bij de eerste schifting tot de afvallers behoren. Globaal kun je stellen dat de keurmeesters in eerste instantie alle gewone tot opvallend goede vogels zullen laten staan en zullen beginnen met speuren naar vogels met grove fouten, d.w.z. het missen van een nagel. En geloof me, het valt al heel snel op want een geoefend oog ziet al snel een vogel die wat glijdt op stok of een vogel die zijn poot anders dan anders neerzet. Het heeft dan ook geen zin om een dergelijke vogels in te brengen op een show. Vervolgens kijken ze dan ook meteen naar vogels met bevederingsfouten, dat is niet één of twee ruipuntjes, maar wel een hele kop vol rui, het missen van een (groot) deel van de staartblokken. Of anderszins een kale plek. Vervolgens beginnen ze die ‘mindere goden’ als eerste te keuren, de categorie 86 a 87 en lager zeg maar. Vaak zijn de opmerkingen op de keurbriefjes van dergelijke vogels vrij kritisch, vooral bij vogels met grove conditieproblemen zullen er niet veel positieve opmerkingen op staan. Dus het is van het allergrootste belang dat je je vogels in topconditie, d.w.z. gaaf en netjes verzorgd, ter keuring aanbiedt. Doe je dat niet dan kun je het eigenlijk wel vergeten op een grotere tentoonstelling.

Dit gaaf en netjes brengen noemt men in vogelland conditioneren, dat behelst een heel scala aan handelingen, daarmee wordt als eerste bedoeld het weghalen van ruipuntjes en het poetsen van de snavel met vaseline of baby olie, maar daarmee wordt ook bedoeld het schoonmaken van de pootjes én de voetring. Ook is het bij zebravinken geen overbodige zaak om het puntje van de bovensnavel ietsje in te korten, het puntje knippen dus, ook het weghalen van bonte veren en of gebroken pennen hoort bij conditioneren. Geef dus de keurmeester geen kans om jouw vogels ‘te pakken’ op een serieuze conditiefout, want dan ben je bij de eerste selectie al weg en dat kan nooit de bedoeling zijn.

Ook de ‘kleintjes’ worden er bij de eerste schifting al tussenuit gepakt, dat zijn de echt smalle of kleine vogels en ook de vogels met storende modelfouten als druipstaarten, knik in de nek, storend platte koppen, lange puntige snavels et cetera. Ook vogels die extreem zwaar zijn in de borst en verder niks extra’s hebben (iets goeds bedoel ik) die gaan er dan al tussenuit. Daarna bekijken ze de resterende vogels nogmaals en sorteren ze de vogels er tussen uit met storende kleur en tekeningsfouten, enkele zware fouten zijn bijvoorbeeld enkele bonte veertjes (een pincet doet wonderen) en uiterlijk zichtbare splitfactoren.

Bij die eerste schifting valt er toch al wel een 15 tot 25% van de vogels af, beetje afhankelijk van het niveau van de tentoonstelling. Nadat ze alle mindere goden hebben ‘afgewerkt’ treden de keurmeesters weer in overleg en bekijken ze de resterende vogels, er wordt dan een globale scheiding gemaakt tussen de opvallende vogels en de gewone vogels. De gewone vogels worden vervolgens ook gekeurd en daar wordt dan vaak aangegeven aan welke zaken er door de kweker nog aandacht moet worden geschonken, op dergelijke keurbriefjes worden ook al positieve opmerkingen gemaakt. De inzender moet dergelijke opmerkingen goed lezen en vervolgens zijn vogels vergelijken met wat er nog meer zit, met name met de toppers en de categorie er net onder. En dan conclusies trekken in de zin van ‘wat komen mijn vogels nog tekort op de besten’. Vervolgens moet daar dan in het toekomstige kweekjaar aan gewerkt worden of nog beter doe een gerichte aankoop als je die bepaalde eigenschap niet hebt in je vogels.


*Wat maakt een vogel nou een gewone vogel en wat maakt het een topper?

Een vogel van 89 punten is een vogel zonder opvallende plus of minpunten, maar ook een vogel met een bovengemiddeld model (pluspunt) en een kleine kleurfout (minpunt) is een vogel van 89. De gewone vogels dat is over het algemeen de grootste groep, de categorie 88 tot krap 90, meestal toch wel een 35-50% van het totaal die laatsten zijn degenen waar al redelijk wat kritische opmerkingen opstaan in de categorie ‘kan egaler’, ‘kan voller van model’ of ‘zou iets dieper van kleur mogen’, maar die in één rubriek uitblinken, bijvoorbeeld een Grijze man waar bij staat: ‘mooie diepe wang en flankkleur’. Vaak is dit de categorie waar bruikbare kweekvogels in zitten, dit zijn vaak vogels die op één bepaald onderdeel uitblinken maar die verder nog aandacht verdient om de kwaliteit verder uit te bouwen.

De betere vogels is de categorie die gemakkelijk aan de 90 en meer komt, dus de categorie die opmerkingen krijgt als ‘goede kleurdiepte’, ‘goede wang en flankkleur’ en ‘prima model’. Dat moet je dan lezen als respectievelijk ‘gewoon’, ‘gewoon’ en ‘een pluspunt’. 89 plus 1 is 90. In Nederland is het theoretisch zo dat een zebravink 96 punten kan krijgen, in de praktijk is 93 het maximum, maar 93 krijgt alleen een prijswinnaar, technisch gezien is een vogel van 93 een vogel van 92 die een bonuspunt cadeau krijgt om verschil te maken tussen prijswinnaars en niet prijswinnaars. Ik zei al dat 96 punten mogelijk is, dus er zijn vele manieren om een vogel op 92 te krijgen. Dat gebeurt in de praktijk dus ook. Er zijn vogels die op fysiek uitblinken en er zijn er die het van hun kleur en tekening moeten hebben. De absolute top (92ers en 93ers) moeten op alle primaire rubrieken een pluspunt tonen dan wel een ruime voldoende scoren.

De primaire rubrieken zijn de rubrieken :

  • a. formaat, model, houding, conditie en bevedering
  • b. kleur en kleuregaliteit
  • c. tekening

 

De toppers hebben dan 1 pluspunt in minimaal 1 van de drie primaire rubrieken. Daarnaast is het ook nog zo dat je in de rubriek ‘kop en snavel’ ook nog een extra punt te verdienen valt, normale kop is 8, prima kop is 9. In Nederland is het ook zo dat wij extreem goede vogels in de drie primaire rubrieken (model, kleur en tekening) ook 2 pluspunten mogen geven. Dat geeft de nodige speelruimte. Zo kun je bepaalde extreem goede vogels met een klein foutje op een minder belangrijk onderdeel toch nog 92 geven.


*Wat zijn nou de vogels die meedoen om de prijzen?
Zijn dat alleen modelvogels? Kunnen kleurvogels ook winnen?

Wat wel vaak geldt, althans bij de Grijze dat een vogels die je kunt typeren als pure ‘tekeningsvogel’ niet snel zal winnen, da’s meestal te weinig. Bij andere kleurslagen (bijvoorbeeld de Masker Grijze of een Pastel Bleekrug) is een supermooie tekening alleen wel eens genoeg voor een mooie waardering van 91pnt, maar bij Grijs werkt dat niet zo. Bij de Grijze is het zo dat een vogel met een erg mooie tekening é n een mooie kleur een serieuze kans maakt, zeker als deze een goed type toont, dan hoeft het geen reus te zijn om heel hoog te scoren. Maar dan moet het wel zo zijn dat deze Grijze een prima blauwe tint heeft, over die blauwe tint komen we een volgende keer nader terug als we de standaard gaan ontleden.

Ik ben er zelf niet zo voor, maar er zijn ook keurmeesters die alleen al bij een zeer forse vogel alle registers opentrekken en ook voor kleur en tekening veel punten geven, ook al is dat laatste eigenlijk niet terecht. Persoonlijk vind ik dat een topper meer moet hebben dan een prachtig model en dito kop, ook de kleur en de tekening zal navenant moeten zijn. Het is te gemakkelijk om een grote vogel met een normale kleur en tekening 91 of 92 te geven, dat doet de mensen die alles doen om een vogels met een prima kleur te brengen (die vaak ietsje kleiner zijn) ernstig tekort vind ik. Een echte topper is een vogel die minimaal in twee primaire rubrieken (bijvoorbeeld model en kleur) prima zijn en in de derde primaire rubriek (tekening) net even iets meer brengt dan een normale vogel. Als een vogel slechts in twee primaire rubrieken uitblinkt dan is 91pnt ook een mooi aantal.

Op een kleinere tentoonstelling kan een vogel van de laatste categorie nog wel winnen, maar als je in Veenendaal, Lummen,’Zebra’, Apeldoorn e.d. voor het kampioenschap wilt meedoen dan zullen je vogels hoe dan ook ‘model’, beter gezegd: ‘formaat en model’ moeten hebben anders kun je het kampioenschap wel vergeten, want daar is de concurrentie moordend.

De kans dat je daar met een klassieke kleurslag kunt winnen met een ‘kleur en/of tekeningvogel’ is zeer klein. Daar zul je echt die ene topper moeten hebben die zeer fors is, een dikke kop heeft, een blauwe tint toont en mooi strak getekend is. En zoiets kweek je meestal niet ieder jaar.


Deel 2 – Stamopbouw

De stamopbouw. Dat is dus niet direct alleen maar interessant voor grijskwekers, want onderdelen hieruit kun je ook toepassen op elke andere kleurslag, wel is het zo dat hetgeen ik hieronder schrijf meer van toepassing is op ‘klassieke kleuren’ en niet zozeer op de combinatiekweek want dat is toch wel een geheel andere tak van sport. Maar goed, de grijze zebravink. Hoe begin je nou met de opbouw van een goed kweekbestand?


*Hoe beginnen?

Er zijn zoals overal meerdere wegen die naar Rome leiden, maar enkele wegen zal ik even nader omschrijven. Je kunt natuurlijk naar top grijskweker X gaan en daar een koppel kopen en denken dat je er al bent, m.a.w. dat je volgend jaar met de jongen van dat koppel wel eventjes meedraait in de top. Het is niet onmogelijk dat dit lukt, maar de kans daarop is vrij gering, die ene uitschieter zou een keer kunnen vallen, maar in de breedte ga je zo echt geen potten breken. Daarnaast kun je met één koppel geen stam opbouwen, daar is meer voor nodig…

Als je echt iets wilt bereiken met een kleurslag als grijs dan moet je zorgen voor een brede basiskwaliteit, daarmee bedoel ik dat je na afloop van een kweekseizoen een echte selectie moet kunnen doen uit een flink aantal jongen. Ik vind eigenlijk dat wanneer je met een kleur als grijs wilt starten dat je dat met minimaal 5 koppels moet doen, maar let wel: je kunt beter met 3 koppels goeie beginnen dan dat je ook met de gekunstelde of gemankeerde koppels 4 en 5 moet gaan kweken. Maar ja, dan komt het voor de meesten…. Hoe kom ik aan goed startmateriaal?

Soms is dat makkelijker gezegd dan gedaan, maar aan de andere kant, als je écht wilt dan kan iedereen beslist aan goed basis materiaal komen. Je moet er alleen even wat moeite voor willen doen, daar hoort een eind rijden ook wel eens bij en er wat geld in willen stoppen, want goed materiaal kost geld, ook voor die ‘simpele’ grijzen. Wat je allereerst moet doen is op grotere shows gaan kijken (Druten, Apeldoorn etc.) en daar eens goed de ogen de kost geven, wat scoort er nu, welke liefhebbers doen mee om de prijzen, welke liefhebbers totaal niet, en dan eens kijken of die liefhebbers die wel meedraaien met de betere vogels in de breedte wat kwaliteit hebben ingestuurd.

Zoals ik al zei, die ene topper kan bij wijze van spreken ‘iedereen’ kweken, maar het gaat er om of jij daar basis kweek materiaal kunt kopen of niet…. Bij de kweker met die ene uitschieter en de rest veel middelmatige waarderingen is de kans dat je daar bruikbaar kweekmateriaal kunt kopen niet zo heel groot. Je moet dus niet kijken naar die ene hoge enkeling maar vooral even in de catalogus kijken of ze een stam hebben ingestuurd en hoe die scoort. Overigens moet ik er wel bij zeggen dat TT resultaten niet alles zeggen, ook bij kwekers net onder de top zit vaak erg leuk kweekmateriaal, waar je echt wat mee kunt, kijk dus vooral erg goed rond. Bij een kweker met een hele serie vogels van 90 punten gemiddeld daar is de kans dat je goed kweekmateriaal kunt kopen een stuk groter dan bij de kweker met die ene uitschieter.

Spreek de betreffende liefhebber die je positief opvalt eens aan en kijk eens of er wat mogelijkheden zijn om wat te kopen. Maak dan niet de fout om meteen al je kweekkoppels bij één kweker aan te schaffen, 1 a 2 koppels of wat losse vogels is interessant. Maar alleen dan wanneer de vogels ’iets hebben’. Wat dat ‘iets hebben’ precies in moet houden, daar kom ik verderop even op terug. Het beste is om bij diverse kwekers enkele losse vogels of koppels aan te schaffen, u kunt er voor kiezen om precies het aantal vogels aan te schaffen waar u mee denkt te gaan kweken, maar wellicht is het verstandiger om ook een kleine reserve in te bouwen, dus een man en één of twee poppen achter de hand houden. Het is overigens beslist niet noodzakelijk om ze in alle gevallen bij een kweker te gaan kopen, je moet ook de ogen open houden in de verkoopklasse van grotere shows en zelfs bij de handel zit nog wel eens een bruikbare vogel, alhoewel ik wel moet zeggen dat in de klassieke kleurslagen je bij de handel niet zo heel vaak iets bruikbaars kunt vinden. Je kunt je de kilometers ook besparen door vogels mee te laten nemen naar een grote tentoonstelling, aan de andere kant: je leert en ziet het meest als je ze bij de kweker thuis ophaalt.


*Wat zijn nu geschikte vogels voor de grijskweek?

In principe is grijs een kleurslag die je binnen de kleurslag kweekt, dus zonder splitfactoren of het inkweken van een andere kleurslag. Grijs maal grijs dus. Het is niet onmogelijk om goede grijzen te kweken via bepaalde dominant verervende mutanten als blackface of kuif. Verder kun je de buikkleur wat lichter (witter) krijgen door er masker, bleekrug, wit of bont in te kweken, maar voor het rugdek zijn dit soort splitfactoren vaak nadelig, vooral witte omzoming van de vleugelpennen is bij dit soort splitten nogal hardnekkig. Dus het spreekwoord: Wees wijs hou grijs bij grijs doet opgeld.

Je moet dus proberen een aantal vogels te verzamelen die ‘iets hebben’. Dat kunnen ook wel eens vogels zijn die je per sé per koppel moet kopen en waarvan je alleen de man of de pop kunt gebruiken. Het gaat er gewoon om dat je wat vogels met potentie verzamelt. Waar, wanneer, of de prijs zijn dan van ondergeschikt belang. Een heel belangrijk gegeven tegenwoordig is de leigrijze kleur, zonder deze factor kom je bij grijs nooit aan de echte top waarderingen, dus je moet minimaal één zo’n leigrijze zien te bemachtigen. Want dit ‘blauw’ kun je niet door selectie bereiken die moet je kopen.

In kwekersjargon noemt men vogels die de mooie leigrijze kleur bezitten een ‘blauwe’, onthoud die term! Wat naast die blauwe tint ook belangrijk is, is een mooi model en dan met name een prima kopmodel, met een prima kopmodel wordt gemakshalve de samenvoeging van kop en snavelmodel bedoeld. Een klassieke kleurslag moet van model bovengemiddeld zijn wil je scoren op de TT, met een combinatie kom je vaak nog wel weg met een normaal model, bij een klassieke kleurslag moet het model zonder meer ‘prima’ zijn. Dat fantastische model hoeft die ene ‘blauwe’ die je kunt kopen niet per sé te hebben, het is voldoende als die een redelijk model heeft en alles in de juiste verhoudingen. Dat is dus wat anders dan een ‘blauwe’ in het type net wat groter dan een Timor, zo één heb je ook niks aan, maar je weet wel, zo’n vogel die wel redelijk is van model, maar eigenlijk in alles net eventjes te minnetjes.

De partner van die niet zo heel grote leigrijze moet dan natuurlijk wel een gewone grijze met een uitstekend type zijn. Ook hier is het compenseren van de fouten van de ene ouder met de positieve punten van de partner erg belangrijk. Daarnaast is het ook belangrijk dat een man een mooie grote(!) en diep doorgekleurde wangvlek heeft, door een grote wangvlek lijkt een kop ook groter en ronder, een klein wangvlekje doet wat afbreuk aan het geheel.

De snavelvorm dient kegelvormig te zijn, dat wil zeggen een gelijkvormige driehoek, da’s wat anders dan zo’n onooglijk klein snaveltje dat de Engelse vogels hebben, een grote kegel op een kleine kop is storend, het zelfde geldt voor een lange spitse snavel dat is ook niet mooi harmonieus. De snavel moet bij de kop passen, een grote dikke kop met een heel klein snaveltje dat ziet er ook niet uit.

Nu we het toch over Engelse vogels hebben, die zijn wel prima geschikt als kweekvogel vanwege hun mooie volle koppen, je moet alleen het Engelse snaveltje zien weg te werken, dus richting de iets grovere Europese snavelvorm, zonder er natuurlijk een enorme toeter op te kweken.

Bij poppen kun je de blauwe tint op zich wat minder goed zien dan bij de mannen maar toch is het daar goed zichtbaar, dat zijn natuurlijk zeer waardevolle kweekvogels. Maar ook ‘gewone’grijze vogels zonder de blauwe tint zijn bruikbaar, mits niet bruin bewaasd op het rugdek, een echt goede pop heeft altijd mooie diepe flanken, dus hoe donkerder ze daar zijn hoe beter. Waarom dat is? Eigenlijk is dat hetzelfde te verklaren als de bij voorkeur diep donkergrijze kleur van de kop, wang en nekstreek van de man. Bij de man liggen de kastanjebruine delen (wang en flank) als het ware ‘op’ de grijze wang en flankkleur, waarbij de grijze basiskleur als weerkaatser fungeert, hoe dieper die kleur is, hoe dieper de wang en flankkleur bij de man zal zijn.

Bij mannen kun je kleurdiepte van de flankkleur niet direct zien, want daarop ligt de kastanjebruine flank, maar bij de pop dus wel en daarom is het ook heel belangrijk dat je de flankkleur van de pop betrekt is de selectie van je kweekvogels. Kleine foutjes zoals niet helemaal strakke staartblokken, iets koplampen, een wat smallere borstband zijn gemakkelijk te compenseren in de kweek en de daarop volgende selectie, dus daar kun je bij de aanschaf wat minder aandacht aan schenken.


*Zijn er ook onbruikbare kweekvogels?

  • Te weinig hamertekening – Onbruikbare kweekvogels zijn mannen en in iets mindere mate poppen zonder of met te weinig hamertekening bovenop de kop, dat zijn veelal vogel met te weinig kleurdiepte.
  • Vogels met storende wittige omzoming of met een duidelijk bruin waas op het rugdek.
  • Ongewenste tekening – Poppen met zware borsttekening, want dat is enorm erfelijk. Soms hebben mannen ook wel eens vrij veel zwart in de (witte) teugelzone, ook dit is een fout die vrij sterk door vererft, dus pas daar mee op. Ik heb dit onlangs zelf wederom kunnen vaststellen, ik paarde een oranjeborst grijze man met een behoorlijk dichtgelopen teugelzone aan een zuivere masker grijze pop met een heldere teugelzone, alle jonge mannen hadden een dichtgelopen teugelzone, de ene wat meer dan de andere, maar ze hadden het allemaal, ook één van de jonge poppen was daar niet zuiver van kleur, dus pas daar mee op.
  • Modelfouten – Ik heb al iets gezegd over modelfouten, er zijn ook enkele modelfouten een absolute no-no, zaken als een druipstaart en een duidelijke knik in de nek. Een zeer platte kop zeker als die in combinatie aanwezig is met een lange spitse snavel: niet kopen
  • Missende nageltjes / teentjes – Bij zebravinken is het al dan niet hebben van alle nagels en of tenen geen must voor de kweek, een vogel die een paar nagels mist, maar verder qua model of kleur erg bruikbaar is die kun je gewoon aanschaffen, dat levert bij zebravinken bij de bevruchting maar zelden problemen op.

*Minder ernstige fouten zijn er ook…

Wat je wel in de gaten moet houden, maar geen halszaak is, is het hebben van koplampen (het te hoog, wit, doorlopen van de teugelzone richting het voorhoofd) Een duidelijke dip in de nek is een grove fout, maar een niet geheel rechte ruglijn is geen must. Dit zijn fouten die je gaandeweg wel moet uitselecteren, maar die niet dusdanig ernstig zijn dat je een paard daarvan de hik krijgt. Deze foutjes zijn vaak relatief makkelijk uit te selecteren dan wel te compenseren tijdens de kweek.


*Welke paringen zet je nu op?

Het spreekt voor zich dat je de ‘blauwe’ vogels moet paren aan de grootste en best geproportioneerde ‘gewone’ grijzen, uit deze koppel(s) moeten de vogels komen waar je je dat kweekjaar mee moet gaan verbeteren, dus je moet je energie vooral in die ‘blauwe vogels’ steken. Dus heel simpel, doe de ‘blauwe’ met je ogen dicht in de broedkooi en zoek daarbij de beste modelvogel die je hebt van het tegengeslacht, kleur van ondergeschikt belang, want die brengt die blauwe al in. Vervolgens de van de overgebleven andere vogels koppels samenstellen en wel zodanig dat je fouten van de ene compenseert met de goede eigenschappen van de andere….Want de grootste fout die je kunt maken is het paren van twee vogels aan elkaar die dezelfde fout hebben, vaak krijg je die fout dan in het kwadraat terug bij de jongen, dan ben je aan het terugboeren en dat kan nooit de bedoeling zijn. Als je nu bij koppel 4 van de 6 het idee hebt, wat ik nu nog over heb dat is zware fout x zware fout, geen probleem van maken, gewoon in de broedkooi doen en die een paar nesten eieren van betere koppels geven. Het belangrijkste is even wat ‘massa’ kweken, zodat je straks uit meerdere vogels kunt gaan selecteren.


Deel 3 – Selectie

…en hoe verder na het eerste kweekjaar?

Ja, selectie…. Het is misschien voor velen een vrij ongrijpbaar begrip. Alhoewel? Voor de één is dat helemaal niet moeilijk maar voor de ander is het allemaal een problematische zaak. Maar het is uiteindelijk wel bepalend of je de top haalt of kunt halen in je kleurslagen of niet, dus kweken is één, goed kunnen koppelen is twee tot en met vier, selectie is vijf tot en met acht. kortom het allerbelangrijkste facet van de zebravinken kweek. Overigens de nummers negen en tien is het hebben van die kunst om je vogels in topconditie te kunnen brengen op de TT. Hetgeen ik in dit onderwerp schrijf is wat meer toegespitst op de kleurslag Grijs, maar hetgeen ik schrijf geldt ook voor vele andere kleurslagen.

De meningen zijn verdeeld of je echt kunt leren hoe je moet selecteren. Ik ben persoonlijk van mening dat je het wel kunt leren, maar dat er ook velen zijn die het niet hebben en ook nooit zullen krijgen. De ene heeft die selectie vaardigheid van nature, de andere komt een heel eind na enkele jaren ervaring opgedaan te hebben, weer anderen leren het nooit. De eerste en de laatste categorie zijn niet interessant voor dit artikel, voor de categorie die het kan leren door ervaring en tips volgen in dit onderwerp wellicht een aantal handige tips en of handreikingen. Je moet eerst even een paar zaken duidelijk leren scheiden, ten eerste de mening van de keurmeester op het keurbriefje en jouw eigen inzicht. Het hangt er ook wel wat vanaf welke keurmeester er wat zegt, maar als jij wat in een vogel ziet en de keurmeester niet, dan wil dat niet zeggen dat de mening van de keurmeester heilig is, je moet wel zodanig eigenwijs zijn dat je jouw mening op bepaalde punten hoger inschaalt dan die van de keurmeester. Als je twijfelt kun je ook nog eens een balletje opgooien bij een kweker die je kent en die goed kijk heeft op de kleurslag en die eens uithoren. Als de keurmeester zegt 87 punten en er mankeert van alles en nog wat aan, maar als jou collega kweker ‘wel 5 euro’ wil geven voor die betreffende vogel, dan weet jij ook wel dat je die vogel niet moet wegdoen. Bovendien is iedere TT vogel nog geen kweekvogel en andersom geldt dat ook.


*Selectie door de keurmeester.

Ik zei al keurmeesters…. Keurmeesters zijn net mensen, ze draaien en keren net zoals ieder ander. Er zijn goede en ook hele goede keurmeesters, maar helaas ook veel zwakkere broeders. Bovendien is het zo dat je niet van iedere keurder kunt verwachten dat hij alle ins en outs’ van elke te keuren soort kent, een zebravinkenspecialist zal ook niet al te waardevolle opmerkingen opgeschreven hebben als hij een ara of een tropische duif keurt. Er zijn van die leukerds die opschrijven ‘pootkleur niet egaal’ en daar zonder blikken of blozen een punt bij kleur voor aftrekken, naar mijn mening moeten die heren zich stilletjes in een hoekje gaan schamen. Er zijn er ook die ronduit ‘negatief’ keuren, de zogenaamde ‘(af)krakers’, maar er zijn er ook die met hun collega’s een wedstrijdje doen wie kans ziet om het vaakste 92 en 93 geeft, beide is niet goed. Er zit ook nog iets tussenin, dat noemen ze wel eens de gulden middenweg. Streng maar rechtvaardig zeg maar.

Wel goed is de vogels op waarde beoordelen. Overdrijven in de waarderingen heeft geen zin, onderwaarderen ook niet. Je moet dus even reëel kijken wat de betreffende keurmeester aan opmerkingen opschrijft, m.a.w. wat is de zin van de gemaakte opmerkingen. Iedereen kan de opmerking maken ‘mist bevedering’ of ‘kan wat egaler’ of ‘tekening kan wat strakker’. Da’s allemaal wat te algemeen. Je moet speuren naar opmerkingen die raak zijn en dus hout snijden. Opmerkingen bij Grijs die hout snijden zijn zaken als: ‘bruin waas op rugdek’, ‘witte zoming aan de vleugelpennen’, ‘wangkleur veel lichter dan de flankkleur’, m.a.w. opmerkingen die je wijzen op de concrete tekortkomingen van de vogel. Maar ook de positieve opmerkingen als ‘mooie strakke staartblokken’ (dus dan heb je geen halve maantjes) of opmerkingen over het ‘blauw’ zijn van het rugdek, heb je wat aan..

De keurmeester met kennis van zaken zal de kunst verstaan om middels positieve en negatieve opmerkingen op het keurbriefje de vogel te beoordelen, de meeste mindere vogels zijn niet in alles slecht en de toppers zijn beslist niet zonder (kleine) foutjes. Komt er een dergelijke keurmeester uw vogels beoordelen dan kunt u zijn waarderingen mee laten wegen in uw selectie, maar niet meer dan dat, want uw eigen mening gaat ook dan nog steeds voor die van de keurmeester. Als er een keurmeester komt keuren die zich hult in nevelen met allerlei nietszeggende opmerkingen: Vergeet hem, zijn mening kunt u gerust wissen van uw harde schijf. In België is het nog een stuk moeilijker om de keurmeester de selectie te laten doen, dit omdat een Belgische keurder veel minder schrijft dan een Nederlandse keurmeester.

Slotconclusie: de selectie van uw kweekvogels moet u beslist niet laten afhangen van de mening van een keurder alleen. Wat je wel moet doen is de opmerkingen op de keurbriefjes vergelijken met je eigen waarnemingen, m.a.w. zie jij dezelfde fouten als de keurmeester.


*Zelf selecteren.

Het vermogen om een goede selectie van je kweekvogels te doen is iets wat je hebt of niet, je kunt het je in meer of mindere mate een beetje aanleren, maar zoals ik al eerder aanhaalde: sommigen zullen het nooit leren. Is het moeilijk? Nou, ik vind zelf van niet. Maar ja ik loop zelf al meer dan 40 jaar rond in deze hobby, ik kan me best voorstellen dat het voor veel (relatieve) beginners niet makkelijk is om het onder de knie te krijgen. Het komt hoofdzakelijk neer op het zien en het beoordelen van fouten van een vogel, maar zeker zo belangrijk het herkennen van positieve aspecten aan een vogel met fouten.

Daarnaast moet je onderscheid kunnen maken tussen fouten en foutjes, fouten zijn zware fouten, vaak erfelijke fouten, foutjes zijn zaken die relatief gemakkelijk te verbeteren zijn. Als je het goed doet dan moet je zelfs dwars door bevederingsfouten heen kunnen zien wat er straks goed en minder goed is aan de vogel, da’s nog een stapje verder dan volledig bevederde vogels selecteren. Sommige fouten zijn relatief gemakkelijk te verbeteren of op te lossen middels de kweek (foutjes), andere fouten zijn veel hardnekkiger, echte fouten dus, die moet je dus zwaarder mee laten wegen bij de selectie van je kweekvogels.


*Hoe kun je beginnen met de selectie?

Waar begin je mee? Dan moet je jezelf eerst de vraag stellen: Wat is nu belangrijk? En meteen daar achteraan: Welke kleurslag kweek ik….? Nu zult u zich n.a.v. deze laatste vraagstelling misschien afvragen waarom ik deze ene vraag er expliciet bij stel. Eigenlijk is dat heel eenvoudig, de selectie bij de klassieke kleurslagen doe je op een andere manier dan de selectie van niet-klassieke kleuren en vooral heel anders dan bij combinaties. Bij de klassieke kleurslagen is de selectie op formaat en model veel belangrijker dan bij niet-klassieke kleurslagen. Toch zeg ik ook bij de meest klassieke van de klassieke kleurslagen tegen de kwekers: doe die formaat en model oogkleppen eens af, het model is wel belangrijk, maar een beer van een Grijze met een waardeloze kleur en tekening daar ga je ook geen potten mee breken. Het beste is het om kleurdiepte (lichaams- en tekeningskleur) op hetzelfde niveau van belangrijkheid te zetten als de formaat en model. De scherpte van de tekening kun je meestal(!) iets soepeler mee omgaan, dat is wat anders dan verwaarlozen, want die tekeningsfoutjes kun je vrij makkelijk optrekken, da’s bij grove kleurfouten en modelfouten allemaal een stuk moeilijker. Ik zei in een eerder onderwerp al dat het met de kleur vooral gaat om het ‘blauw’ zijn, officieel leigrijs, van het rugdek en de kop. Die witte buik, waar velen o zo druk mee kunnen zijn, da’s echt maar een bijzaak. Blauw, daar gaat het om. Als je dat kunt combineren met een mooi model en een dikke ronde kop dan ben je spekkoper. Daar moet je dus naar toe werken.


*Selectie aan de hand van een praktijkvoorbeeld.

Laten we nu eens concreet uit gaan van een praktijk voorbeeld, stel u heeft 5 koppels grijs x grijs opgezet en van deze koppels heeft u gaandeweg het kweekseizoen circa 35 jongen gekweekt, voor en tijdens de rui heb je geconstateerd dat er 5 jongen bij waren die achterbleven in de groei, er zijn er drie erg smal bleven en twee waren er steeds aan het kwakkelen met hun gezondheid. Die 5 vogels kun je het beste bij de eerste gelegenheid naar de handel brengen. En je aandacht richten op de overige 30 stuks. Van deze 5 sowieso-niet-jongen waren er 3 van koppel 5 en 1 van koppel 2 en koppel 4.

Koppel 1 :
Koppel 1 was een koppel bestaande uit je enige, maar wel relatief kleine, ‘blauwe’ grijze man en de grootste pop die je had, van dat koppel heb je inclusief een nestje dat je hebt overgelegd 10 jongen op stok. Dat ene kleintje is al naar de handel en naar de overige 9 jongen ga je eerst eens goed kijken, want feitelijk zijn dit je belangrijkste jongen. Je doet de 5 jonge mannen eens in een tweetal TT kooien en de 4 poppen in twee andere TT kooien. Het oude koppel doe je in een vijfde TT kooi. Er zitten 2 blauwige mannen tussen en 1 blauwgrijze pop alle drie met een redelijk maar niet super model. Die drie hou je sowieso aan.

Vervolgens ga je de resterende 6 jongen eens goed op model bestuderen, niet op formaat, maar op de onderlinge verhoudingen. Het valt op dat er 3 zijn met een goed model en 3 met een matig model, met name de kopmodellen vallen tegen bij die drie mindere vogels, die drie mindere vogels doe je weg, Vervolgens bekijk je de blauwgrijze vader eens goed. En die vergelijk je op model eens met de twee blauwgrijze zoons. De vader is een stuk minder vol van model, het is goed te zien dat het model van de moeder de algehele formaat en modelkwaliteit aanzienlijk heeft opgekrikt. Conclusie: Vader mag weg, moeder aanhouden. Netto resultaat 2-1 jonge ‘blauwe’, 1-2 jonge ‘gewone’ grijzen die mogelijk ‘blauw’ vererven en 0-1 Grijs (de moeder) een zeer goede formaat en model vogel.

Koppel 2 :
Van koppel 2 heb je 6 jongen, waarvan 1 heel kleintje die al weg is naar de handel. Bij de resterende 5 jongen, 3 mannen en 2 poppen, zie je dat beide poppen mooi diepgrijs zijn, niet direct blauwig, maar wel echt grijs. En met een goed model. Die hou je dan aan. Twee van de mannen vallen fysiek wat tegen, de derde man, toevalligerwijs uit hetzelfde nest als de twee eerdergenoemde jonge poppen is wel een mooie man, niet ‘blauw’ maar wel een mooie volle vogel en egaal grijs. Het ouderkoppel doe je ook in een TT kooi en die vergelijk je dan als eerste met de uitgeselecteerde jongen en vervolgens met de jongen die je wel aanhoudt, bij de afvallers zie je dezelfde wat lange snavel en niet al te volle kop van de vader terug. Bij de betere jongen van dat koppel zie je de positieve invloed van de moeder terugkomen. Vader kan weg, moeder voorlopig aanhouden. Conclusie: aanhouden 1-2 aan jonge vogels en de moeder.

Koppel 3 :
Bij koppel 3 was de kweek nogal teleurstellend verlopen, uit 3 ronden maar 4 jongen op stok waarvan er ook nog eens 3 ziekelijk en klein waren. Het ene jong dat je nog hebt van dat koppel is ook geen hoogvlieger, geen reus en ook niet echt grijs, maar wat bruinig. Wel heeft dit koppel een nest van koppel 1 grootgebracht die er wel mooi strak en conditioneel goed uitzien. Dat ene jong van koppel 3 kan dus ook wel weg, vervolgens bekijk je het ouderkoppel nog eens goed, is een van de twee, of zelfs beide een bron van twijfel, doe die dan ook maar weg. Of gebruik ze komend jaar als pleegouders.

Koppel 4 :
Koppel 4 gaf 10 jongen, twee nesten van 4 en een nest van 2, deze pop legde ook mooie grote eieren. Er zitten 3 vogels bij de jongen met duidelijk witte omzoming op het rugdek 2 mannen en een pop, die kunnen daarom wel weg. Kijk dan gelijk even naar de ouders: de oude pop is volkomen egaal op het rugdek, de vader echter heeft deze witte zoompjes ook, die kan dus ook weg. De resterende 7 zijn 4 mannen en 3 poppen. Bij één van de mannen valt op dat hij op stok ligt en één van de poppen heeft een restant borsttekening (mankenmerk), deze beide selecteer je ook uit. Stokliggers heb je niks aan en poppen met borsttekening moet je heel erg mee oppassen, want dat vererft vrij sterk door. Blijft over 3-2 aan jongen en de oude pop.

Koppel 5 :
Koppel 5 gaf 5 jongen 3 mannen en 2 poppen. De oude pop, die mooi grijs was, maar geen blauwe, is na het 2e nest gesneuveld. De vader is er nog wel, dat is niet zo’n mooie van lichaamskleur maar wel een prima modelvogel. De jongen zijn, op 1 jonge man na met een iets platte kop en wat spitse snavel en een beetje neiging tot druipstaart, fysiek allemaal goed te noemen, maar helaas zijn ze qua kleur niet geweldig, allemaal een beetje matgrijs zoals de vader. In principe heeft de vader zijn werk gedaan en kan hij weg, want tegen een beter gekleurde pop (de moeder) geeft hij nog steeds jongen met eenzelfde kleurbeeld, dat betekent dat die vader ook tegen een andere beter gekleurde Grijze pop waarschijnlijk weer geen betere kleurvogels gaat geven. Dan kun je beter de jongen van dit koppel aanhouden, want die hebben dan misschien niet meteen een kleurbeeld om wild van te worden, maar mogelijk hebben deze jongen door de genen van de moeder het wel in zich om een betere kleur door te geven aan hun jongen. En aangezien 4 van de 5 jongen van dit koppel een mooi model hebben kun je die beter aanhouden. Netto resultaat van dit koppel 2 jonge mannen en 2 jonge poppen.

Hoe nu verder?:

    Je hebt nu aangehouden aan jongen:
  • Koppel 1: twee ‘blauwe’ mannen en één ‘blauwe’ pop, plus nog 1-2 aan jonge ‘gewone’ grijzen die mogelijk ‘blauw’ vererven.
  • Koppel 2: één man en twee poppen, die opvallen door hun mooie egale grijze kleur
  • Koppel 3: Niets
  • Koppel 4: 3 mannen en 2 poppen
  • Koppel 5: 2 jonge mannen en 2 jonge poppen.

 

    En aan oude vogels heb je aangehouden:
  • Koppel 1: de pop, een zeer goede formaat en model vogel, gewoon grijs.
  • Koppel 2: de pop, een goede modelvogel, maar geen uitschieter, die gewoon grijs is
  • Koppel 3: niets.
  • Koppel 4: de pop, een goede modelvogel die gewoon grijs is en die grote eieren legt en 10 jongen gaf. Netto resultaat van dit koppel 2 jonge mannen en 2 jonge poppen.
  • Koppel 5: niets.

 

In totaal hou je dus 9 mannen en 12 poppen over na de eerste selectie. Daaruit selecteer je de TT vogels, met dien verstande dat je niet met die drie ‘blauwe’ jongen werkelijk alle TT’s afsjouwt, want je wilt er ook nog wat van kweken later. Maak dus niet de klassieke fout om je beste vogels tot op de draad uit te putten. Vervolgens ga je eens nadenken hoeveel je er denkt nodig te hebben voor het komende kweekseizoen. Als je weer met 5 koppels wilt kweken dan is er nog een tweede selectie nodig, want dan heb je er nog veel te veel. Als je dan 7 koppels aanhoudt en een losse pop dan ben je al een heel eind.

De tweede selectie:
Als je er nog teveel hebt aangehouden dan je voor de kweek nodig hebt dan ga je nog een tweede selectie doen, dat doe je het best enkele maanden na de eerste selectie. Ten eerste hebben dan je vogels de gelegenheid om compleet bevederd te raken, want je kooien zitten minder vol, dus minder gepluk. Anderen heb je opgekooid zitten voor de TT. Dan kun je dus op details gaan letten, zoals de vorm van de staartblokken, het strak zijn van oogstrepen, de kleurdiepte van wang en flank, kleine modelfouten, lange snavels, rechte ruglijnen en nog veel meer. Je kunt ook al een kleine voorkoppeling maken, dus voor je beste 5 tot 7 vogels een bijpassende partner zoeken. Da’s wat anders dan je beste man en je beste pop bij elkaar zetten. Bijpassend is complementair zijn aan de ander. En vooral de fout van de ene compenseren met het positieve punt van de ander. Meestal kun je 80% van de koppels waarmee je wilt gaan kweken wel alvast ‘maken’. Voor de andere 20% is dat moeilijker, soms heb je de meest ideale partner daarvoor niet zelf in huis. Of twijfel je over bepaalde man/pop combinaties. Uiteraard zijn die 3 ‘blauwe’ vogels die je hebt gekweekt het belangrijkste, daar moet je de best passende partner bij zoeken, daarna ga je uit de overgebleven vogels verder voorkoppelen.


*Het TT seizoen.

Vogels in conditie brengen, d.w.z. minimaal 6 weken voor de eerste show apart opkooien. Of ze samen zetten met een niet plukkende soort (zilverbekje of Japanse meeuw) en voordat je ze apart zet de vogels controleren op gebroken of beschadigde vleugel en staartpennen. Die verwijder je met beleid, dus niet als een wilde aan je vogels gaan trekken. Zijn er meer dan vijf gebroken vleugelpennen aan één vleugel dan verwijder je de vijf gebroken pennen die het dichtst bij het lichaam zitten. Dat moet omdat deze binnenste vleugelpennen er langer over doen dan de groei van de slagpennen aan het uiteinde van de vleugel, die kunnen er in 3 weken weer volledig in zitten, de pennen die dichter bij het lichaam zitten kunnen 5 a 6 weken gaan kosten.

Vervolgens stuur je er een aantal in op de tentoonstelling, als je niet echt veel ervaring met shows hebt dan kun je voor shows met een voorinschrijving gaan tot 80% van het aantal opgekooide vogels, want er zal altijd een deel niet volledig gaaf zijn, dan wel in de rui zijn of anderszins niet optimaal. Hoe meer indrukken en ervaring je opdoet hoe beter het is. Ben je een meer ervaren tentoonsteller dan doe je er wat minder heen, dan doe je de helft of zo en dan kijk je op het moment van inbrengen naar de show even welke vogels je meeneemt. Neem wat verschillende vogels mee, geef de keurmeester wat te kiezen.

Als je op een grotere show meedoet dan moet je allereerst goed kijken wat er hoger scoort dan jouw vogels. Kijk goed naar wat die vogels meer of beter hebben dan jouw vogels. En je keurbriefjes goed nalezen, dus niet alleen links onderaan kijken hoeveel punten je gehaald hebt, maar ook welke opmerkingen er gemaakt zijn. Ga dan eens na of jij die opmerkingen in de juiste context kunt plaatsen en of de keurmeester gelijk heeft met zijn opmerkingen, laat ook eens een ervaren kweker meekijken naar je keurbriefjes en vraag hem naar zijn mening. Je kunt tot twee conclusies komen: ik doe niet veel onder voor de vogels van een ander, of ik kom nog ‘iets’ tekort, wat dat iets is kun je op de show dan vaststellen. Dat kan kleur zijn, een kort snavel model, een dikke kop, een bevederingstype, kleur wang en flank noem maar op.

Je kunt dan proberen om d.m.v. een gerichte aankoop, hetgeen binnen te halen wat jij nog tekort komt, dat kun je doen d.m.v. koop of een ruil. Spreek de kweker eens aan die hetgeen heeft wat jij niet hebt. Wees niet bang voor een eventuele ruil, maar spreek wel duidelijk af wat je zoekt en laat je niet afschepen. Hou het spreekwoord ‘waar er twee huilen moet er één huilen’ goed in je achterhoofd. Wees niet te bang een vogel te ruilen die je eigenlijk niet kunt missen als je iets binnen kunt halen wat je nog niet hebt in je lijn. Kwaliteit tegen kwaliteit ruilen is niet erg. Als je iets kunt kopen, ook goed, kijk dan niet direct naar de prijs, als het echt iets is wat je zoekt dan is het niet snel te duur, omdat een jaar kweken duurder is dan 25 euro voor een top vogel voor je kweeklijn.


*Andere zaken die je nog kunt overwegen

Lijnenteelt, onverwant of kijk je helemaal nergens naar qua verwantschap. Het gaat wat te ver om dat nu al mee te nemen in dit verhaal, omdat je met het compenseren van de fouten van de ene partner met de goede punten van de andere partner al prima uit de voeten kunt. Lijnenteelt is wellicht interessant maar dan moet u eerst een topper kweken, lijnenteelt heeft geen zin met vogels van 90 punten.

Goed. Ik ben nu aan het eind gekomen van mijn betoog in drie delen over ‘Grijs’, hopelijk vond u het wat…
Zo niet: jammer dan. Zo ja: dan heb ik die uren werk die in deze stukjes zitten niet voor niks gedaan – want ik kan u verzekeren dit soort stukjes schrijf je niet in een half uurtje op een regenachtige zondagmiddag. Ik had ook nog wel over de standaard verder kunnen gaan of over de opbouw van een brede kweeklijn, of hoe je een grijze moet conditioneren voor de show, of hoe je nu een stam van 4 vrijwel gelijke vogels op de TT brengt…Leuk voor een volgende keer wellicht.

Hans van de Weerdhof

hansweerdhof@gmail.com

Keurmeester tropische vogels en parkieten NBvV

© 2005 All Rights Reserved.

error: Content is protected !!